
- Epke Zonderland
Epke Zonderland is een topturner van Olympisch niveau en sportman van het jaar 2010. Op het moment van het interview (26-08-2010) is hij net terug van een pittige training in het kader van de voorbereiding van het WK turnen in Rotterdam Ahoy. Dertig uur trainen per week plus nog de aanvullende zaken als fysio, stabiliteitstrainingen en allerlei verplichtingen van pers tot sponsoractiviteiten laten weinig tijd over, maar ‘tussendoor’ studeert deze atleet ook nog geneeskunde aan de universiteit van Groningen.
Je bent sportman van het jaar 2010 en inmiddels BN-er? Heeft dat je veranderd? Heeft dat je leven principieel veranderd?
“Mijn leven is wel veranderd, omdat mensen je makkelijker aan schieten door die grotere bekendheid. Ik ben blijkbaar heel toegankelijk en de publiciteit zoekt mij en dat merk je. Mijzelf heeft het niet zo veranderd, maar je gaat wel bewuster rust inbouwen. Dat moet je wel doen.”
Waarom heb je zo’n succes in je leven?
“Het verschil tussen echte top en subtop is alles geven en dat is ook het verschil tussen de winnaar en de verliezer. Het niet opgeven als je een doel hebt en de discipline blijven op brengen. Dat heb ik echt van mijn ouders meegekregen. Het is nooit zo letterlijk gezegd, maar eigenlijk komt het hierop neer: beter een paar dingen echt goed doen, dan alles een beetje..”
Kun je een beschrijving geven van je beste wedstrijd tot nu toe?
“De worldcup finale, een half jaar na de Olympische Spelen, waarbij de beste 8 turners van de wereld aanwezig waren. Dit was voor mij wel een echte revanche op de Olympische spelen, waar ik net geen goud had behaald. Daar kon ik het even recht zetten. Net voor de finale dreigde het nog fout te gaan, want ik vond de rekstok niet zo fijn en bij de laatste oefenbeurt scheurde het leertje (in de hand voor extra grip aan de rekstok, red.). Toen moest ik mijn reserve leertje pakken en kon ik nog net even snel oefenen. Maar door die tegenslag viel de druk weg en dacht ik: ik heb er alles aan gedaan, ik maak er gewoon het beste van en toen kreeg ik mijn hoogste score ooit: 16.175. Ter vergelijk: 16.2 had op de Olympische spelen goud opgeleverd.”
Doe je nog wat anders in je leven dan trainen, trainen, trainen en turnen? Wat vind je nog meer belangrijk in je leven?
“Geneeskunde is mijn andere passie, maar soms baal ik wel een beetje dat ik dat er als het ware bij moet doen. Het leukste daarnaast is windsurfen. Dit komt er te weinig van door tijdgebrek, maar ik moet ook mijn schouders niet overbelasten. Muziek heeft ook mijn interesse, want ik heb een jaar of 6 trompet gespeeld en les gehad. Dat moet ik misschien weer een keer oppakken…”
Toeval, geluk en pech geloof je daarin? Doe je daar wat mee?
“Ja, daar heb ik wel iets mee. Toeval laat alles samen vallen. Direct in de buurt waar ik altijd heb gewoond konden we heel goed trainen; de faciliteiten waren er en de trainer was er ook, die altijd erg fanatiek was. Op 6 jarige leeftijd ben ik daarom al begonnen met turnen met mijn zus en broers die net als mijn ouders allemaal even fanatiek waren en er helemaal achter stonden en staan tot op de dag van vandaag. Je moet ook het geluk hebben dat je ouders hebt die de internationale stages kunnen en willen betalen. Soms heb je natuurlijk pech, maar ik blijf mijn oefeningen zo vaak herhalen om de kans dat het fout gaat zo klein mogelijk te maken. Daardoor kun je de pechkans natuurlijk ook verkleinen.”
Hoe ziet je dag er uit als je die dag een topprestatie moet leveren?
“De wedstrijddag zelf gaat eigenlijk heel saai: proberen goed uit te slapen, stevig ontbijten, muziek luisteren, filmpje kijken en/of een boek lezen om je gedachten wat te verzetten en tussendoor tukjes doen, maar niet teveel. Anderhalf uur van tevoren nog iets eten, een gezonde snack of broodje of een stuk fruit, niet elke keer hetzelfde, ik pak iets op mijn gevoel.”
Hoe ziet je dag er uit na die topprestatie?
“Na de laatste oefening laat je het gaan: eerst de persconferentie, dan feesten en de volgende ochtend kleine oogjes en terug naar huis. Thuis ga ik dan op de bank hangen en nagenieten door de oefening nog eens te bekijken en na te dromen..”
Wat betekent voor jou gezondheid?
“Gezondheid is natuurlijk belangrijk voor mij. Als je gezond bent presteer je natuurlijk beter en je voelt je goed in je vel als je gezond bent. Je associeert het meer met fit zijn en niet fit zijn en niet zo zeer met het ontbreken van ziekte.”
Heb je ook zoals veel andere topsporters bijgeloof?
“Eigenlijk heb ik dat niet nee. En dat wil ik ook niet, want het maakt je afhankelijk. Wat mij wel een goed gevoel geeft is dat mensen aan mij denken als ik een oefening moet doen. Mijn tante doet aan Reiki en heeft mij ook wel eens behandeld. Zij is erg betrokken en leeft mee in een voorbereiding van een belangrijke wedstrijd, net als veel andere mensen in mijn directe omgeving.”
Kun je een voorbeeld geven van humor in de sport?
“Als het mis gaat tijdens onze gezamenlijke trainingen kan het best erg leuk zijn; het is dan wel een beetje funniest home videos.”
Wat is je idool en grote voorbeeld?
Een idool heb ik niet, want niemand heeft alles. Wel bewonder ik van sommige mensen specifieke dingen. Bijvoorbeeld de sierlijkheid van de turner Alexei Nemov, maar ook de sociale vaardigheden van de Sloveense gymnast Mitja Petkovsek spreken mij erg aan. Toen ik 16 was en hem in een turnarena zag, kwam hij naar me toe en maakte een praatje. Dat is iets wat me bij is gebleven: gewoon normaal blijven doen
Waarom zoek je de grenzen op wat menselijk mogelijk is?
“ Ik denk voor de kick; het maximale uit je zelf halen, hoe ver kun je gaan? Het heeft natuurlijk ook iets met adrenaline te maken.”
Je straalt levenskracht (Chi) uit maar ook evenwichtigheid en betrouwbaarheid. Zeker met zo’n T-shirt aan waar 100% dope free op staat. Je moet haast sympathie voor jou hebben, geen sterallures. Wij van Chi vinden dat jij Chi hebt: vind jij dat ook?
Natuurlijk heb ik dat ook nodig, want balans is essentieel in alles wat ik doe. Ik word het liefst zo moe mogelijk, maar moet oppassen dat ik niet net te ver door ga. Studie moet ook een balans zijn, maar balans is moeilijk. Je bent eigenlijk continu aan het balanceren. Dat beeld van betrouwbaarheid had ik blijkbaar ook volgens de Anti-Doping autoriteit. Deze organisatie heeft mij tijdens de laatste Olympische Spelen (2008) voor het eerst aangesproken om met hen samen te werken. Ik ben nu ‘100% Dope Free’ ambassadeur en ben er trots dat ik mijn prestaties kan neer zetten zonder doping. In interviews ben ik gewoon zoals ik ben. Je moet altijd wel opletten dat je er niet zo maar wat uit flapt. Jezelf blijven is het gemakkelijkst. Je hoeft dan geen rol te spelen en je steeds te herinneren wat je allemaal gezegd hebt…”
